Greenity 81

T E E LTA D V I E S

• Bescherm de bloemen tijdens de bewa- ring tegen uitdrogen. • Bewaar de bloemen niet langer dan drie dagen. Vanzelfsprekend hoe korter hoe beter. Koeling Tête-à-Tête De koelduur van Tête-à-Tête op pot is afhankelijk van het tijdstip van planten en het gewenste bloeitijdstip. Als de bollen begin november zijn geplant voor de bloei in maart of april, koel dan bij een aflopen- de temperatuur tussen de 7°C en 0,5°C. Regel de koeltemperatuur op de lengte van de spruit. Laat de temperatuur in verband met schade niet onder de 0°C zakken. Let op eventuele temperatuurverschillen in de cel. Koel de bollen die eind november voor de bloei in maart zijn geplant dertien tot veertien weken bij 5°C. Wanneer de bollen eind december voor de bloei in april wor- den geplant, koel dan twaalf tot dertien weken bij 5°C.

cel moet minimaal 60°C zijn gedurende 1 uur. In de praktijk betekent dit dat er vaak 2 uur gestoomd moet worden. Denk er wel om dat een warmtebehandeling de organi- sche verontreinigingen in de bak niet ver- wijdert en dat de verontreiniging op den duur voor problemen kan zorgen. Deze uiten zich door ongelijke groei, een korter gewas en minder grammen per tulp. Heteluchtkachels (anders dan heaters) Als rookgassen van heteluchtkachels in de kas kunnen komen, dan is de kans op scha- de aan het gewas zeer groot. Afhankelijk van het soort brandstof kan er in de kas zwavel-, koolmonoxide- en ethyleenschade en witte bladpunten ontstaan. Hetelucht- kanonnen blazen de rookgassen in de kas en kunnen daarom gevaarlijk zijn. Door ethyleen kan er massaal bloemverdroging optreden. Bovendien zal het gewas onder invloed van ethyleen stug worden en de waslaag op het blad zal verdwijnen (glim- mend blad). Het is dus zaak bij hetelucht- verwarming goed op te letten. Controleer de schoorsteen op lekkage. Laat de instal- latie regelmatig (minstens twee maal per stookseizoen) controleren en opnieuw afstellen. 5 °C - en 2 °C -teelt V oor de latere 5- of 2°C-trekken gelden een bodemtemperatuur op boldiepte van maxi- maal 13°C en een luchttemperatuur tussen het gewas van maximaal 15°C. Om zachtrot zoveel mogelijk te voorkomen is het raadzaam de bodemtemperatuur de eerste twee weken op maximaal 9-10°C te houden. Het kaalmaken wordt nu over het algemeen achterwege gelaten, alhoewel het voor bollen met taaie huiden en groei- scheuren toch nog te overwegen is. Plant niet-kaalgemaakte bollen met stugge hui- den in ieder geval voldoende diep (3 tot 5 cm grond boven de bol) om een zo goed mogelijke beworteling mogelijk te maken en opgroei te voorkomen. Voortrekken Bij tulpen bestaat een eenvoudige methode om de kasperiode te verkorten. Dit gebeurt door tulpen met nog tamelijk korte pen- nen op de stapel ‘voor te trekken’. De duur daarvan is afhankelijk van de penlengte, de koudeperiode en de temperatuur waarbij het wordt uitgevoerd. Het kan in principe gebeuren in elke ruimte die warmer is dan de bewortelingsruimte, bijvoorbeeld de ver- werkingsruimte of de kas zelf. Voortrekken is alleen mogelijk als de bollen voldoende koude hebben gehad. Als op de wortels onder de kisten veel Botrytis cinerea voor- komt, is het beter om niet voor te trekken in verband met spruitbeschadiging. Door voortrekken ontstaat er meer ongelijkheid in de kas tussen de bakken.

Hyacint Temperatuur in de kuil buiten

Als de temperatuur in de kuil lager wordt dan 5°C is het beter de koudeperiode te ver- lengen. Het is ook mogelijk de opgeplante bollen vanuit de kuil in een cel te zetten. Breng de temperatuur dan naar 5-7°C. De spruiten zullen dan beter strekken dan in een te koude kuil. Vaak is een periode van twee tot drie weken cel al voldoende. Temperaturen in bewortelingsruimte Beworteling van hyacinten vindt plaats bij 9°C. Later in het seizoen kan de groei van de spruit bij deze temperatuur te snel gaan. Hanteer daarom de volgende tempe- raturen: • december 9°C, eventueel te verlagen naar 7 tot 5°C; • januari-februari-maart 5°C, als de bollen goed beworteld zijn en de spruitontwik- keling is te sterk de temperatuur verla- gen naar 2°C. Hiermee is de spruitontwikkeling goed in de hand te houden. Het is aan te bevelen om bij temperaturen beneden de 5°C de koudeperiode te verlengen.

Tulp Afvalwater broei op water

Er blijft water over na een trek tulpen. Om zo min mogelijk water over te houden kan de bevloeiing over het algemeen uit- gezet worden op het moment dat de eer- ste tulpen worden geoogst. Door de zui- veringsplicht is lozing van dit afvalwater, maar ook drain(age)water en filterspoelwa- ter niet meer toegestaan op het moment dat hier gewasbeschermingsmiddelen in aangetroffen worden. De zuiveringsplicht geldt namelijk voor gewasbeschermings- middelen. Het water dient voor lozing gezuiverd te worden door gebruik van een gecertificeerde BZG zuiveringsinstallatie. U kunt ervoor kiezen om zelf in een zuive- ringsinstallatie te investeren of dit lozings- water tijdelijk op te slaan en door een extern bedrijf periodiek te laten zuiveren. Loost u niet of gebruikt u geen gewasbe- schermingsmiddelen dan kunt u vrijgesteld worden. Daarnaast is uit onderzoek geble- ken dat restwater te gebruiken is in de laat- ste fase van de teelt. Er was geen verschil in gewicht of lengte bij het gebruik van rest- water. Ontsmetten van het water was niet nodig. Fustontsmetting broei op water Om verspreiding van ziekten door het fust uit te sluiten is een ontsmetting van de bakken geen overbodige luxe. Wortelresten moeten verwijderd worden. Bij wortelres- ten een keuze maken tussen eerst schoon- maken of veel langer ontsmetten. Spoel de bakken niet na met schoon water. Warmwaterbehandeling van broeifust is mogelijk. Een uur in water van 60°C is vol- doende. Bij stomen of een warmelucht- behandeling moeten de kisten goed nat gemaakt worden en de koudste plek in de

Lelie

Gietwater Lelie is een zoutgevoelig gewas. Behalve het zoutgehalte van de grond is het zout- gehalte van het gietwater ook van belang. Met zout gietwater loopt het chloridege- halte in de grond op. Het chloridegehalte van het gietwater moet daarom lager zijn dan 3 mmol per liter. Streef naar een zout- gehalte (EC) van het gietwater van 1 mS/ cm bij 25°C. Bovenstaande wil echter niet zeggen dat bij hogere gehalten de bloe- menteelt van lelies niet mogelijk is. Geef dan vaker water dan normaal in kleinere hoeveelheden per keer waarbij de boven- grond voldoende vochtig wordt. Bij een hoog zoutgehalte loopt de bemesting via de regenleiding gevaar. Een hoog chlori- degehalte van het gietwater vraagt lagere bemestingniveaus, anders ontstaat zout- schade. Zoutschade is te herkennen aan korte, bruine en harde wortels en een kort, donker gekleurd gewas. Het risico van Pythium (wortelrot) neemt toe bij hoge zoutgehalten in de grond. Bemesten op maat Lelies zijn gevoelig voor te hoge zoutcon- centraties in de bodem. Met het toedienen van meststoffen loopt het zoutgehalte in de grond vaak op. Voor een goede bemes- ting is het daarom van belang te weten hoe hoog het zoutgehalte in de grond is en wat het gehalte aan zouten in het gietwater is. Laat daarom tijdig een monster nemen. Voer op basis van dit gegeven de bemesting uit. Is het zoutgehalte in de grond hoog als gevolg van natrium en chloor, spoel de

48

4 december 2020

Made with FlippingBook - Online catalogs