Greenity 65

VA S T E P L A N T E N – B O L L E N – K NO L L E N – B L O E M E N – A L G E M E E N

zien er dan uit als roosjes. De aangetaste planten hebben verdroogde knoppen, misvormde bladeren en (sector- gewijs) bruin blad. Bij een ernstige aantas- ting zijn de bloemknoppen geheel afwezig. Tijdens de teelt vergelen de aangetaste bla- deren geheel of gedeeltelijk. Verwijder aangetaste planten direct en zorgvuldig. Ruim oude stengelresten en oude bollen van aangetaste partijen zorg- vuldig op. De bladaaltjes kunnen op plan- tenresten in de grond achterblijven en de volgende partij aantasten. Door te stomen worden de aaltjes bestreden. Bij een lich- te infectiedruk is ook 400 g/are Vydate te gebruiken. Partijen Aziaten, Longif lorums en LA’s waarvan bekend is dat ze besmet zijn, kunnen vanuit het ‘ijs’ een warmwater- behandeling ondergaan van 2 uur 39°C. De temperatuur gaat pas in als het bad op temperatuur is. De behandeling kan echter tot gevolg hebben dat ongeveer 10% van de takken blind blijft. De bollen moeten direct daarna worden geplant. Oriëntals hebben van deze behandeling te lijden, 2 uur 39°C veroorzaakt bladmisvorming en een lich- tere tak. Een warmwaterbehandeling met een watertemperatuur lager dan 39°C heeft geen effect. Dit geldt ook voor een kortere behandelingstijd. Bollen op kist Plant om spreiding in de arbeid te krijgen leliebollen in onrendabele uren op kisten. Bewaar deze opgeplante kisten in de koel- cel bij 0 tot 2°C. • Zorg voor een gelijkmatige temperatuur in de cel. • Plaats de kisten zodanig dat de lucht goed rond de kisten kan circuleren. • Controleer regelmatig op spruitvorming en lengte. • Zorg dat de grond tijdens de opslag niet uitdroogt, geef tijdig water. • Let op de kisten onder de verdamper, deze drogen veelal sneller uit. • Ook is het mogelijk opgeplante bollen bij -1°C te bewaren. Trek de bollen na deze bewaring twee tot drie weken voor. Plaats de kisten hiervoor in een cel bij circa 10°C. Controleer goed op de spruitgroei. Neemt dit te veel toe, laat dan de temperatuur zakken.

onvoldoende nalevering vanuit het grond- water of te weinig neerslag moet deze voor- raad via beregenen worden aangevuld. Het is belangrijk om op tijd met beregenen te beginnen, vooral om indrogen te voorko- men. Er gaat namelijk veel water verloren om een droge grond weer vochtig te krij- gen. Meerdere malen beregenen verhoogt het rendement. Geef op zavel- en kleigron- den 20-25 mm per keer. Op lichte gronden is 15-20 mm beter. Pas op voor structuurbe- derf op slempgevoelige gronden. Te hoge zoutconcentraties in de grond zijn nadelig voor bloembollen. Op zandgrond mag het beregeningswater niet meer dan 600 mg Cl (chloor) per liter bevatten. Dit komt globaal overeen met een EC van 2,5 (mS/cm). Voor infiltratie is water geschikt tot een chloorgehalte van 200 mg/liter of een EC van + 1,2 mS/cm. Op zeer lichte zavelgronden (tot 12% lutum) is 1.000 mg (of een EC van circa 4) een veilige grens. Op de overige zavel- en kleigronden zijn gehal- ten tot 1.500 mg Cl per liter (of een EC van ongeveer 5) niet nadelig. Tussen 1.500 en 2.500 mg Cl per liter is het voordeel van de beregening groter dan de zoutschade. Wacht niet met beregenen totdat er krimp- scheuren in de grond ontstaan, want dan komt een deel van het zoute water direct bij de bolwortels. Bronwater dat meer dan 2 à 3 mg ijzer per liter bevat, kan bij som- mige tulpensoorten en -cultivars bladver- branding veroorzaken. Vooral als het bron- water zuur is.

24 april 2020 Bij het rooien van bollen wordt de snel- heid van de rooimat afgesteld op de gebrui- kelijke rijsnelheid. Dit gaat goed, behalve wanneer de rijsnelheid minder wordt. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan het einde van het bed. De snelheid van de rooimat blijft het- zelfde. Door de verminderde rijsnelheid komen er per tijdseenheid minder bollen en grond op de rooimat. Door de gelijkblij- vende snelheid van de rooimat ‘dansen’ de bollen op de rooimat met beschadiging tot gevolg. Het is beter als de snelheid van de rooimat gekoppeld is aan de rijsnelheid van de trekker. Dus dat als de trekker langza- mer gaat rijden, ook de rooimat langzamer gaat draaien. achter de heater of door twee contrarote- rende kleppen. Daarnaast worden verver- singsventilatoren vaak uitgevoerd met een toerenregeling. In de meeste gevallen geldt dat de hoeveelheid buitenlucht niet even- redig met de stand van de luchtklep veran- dert. In de praktijk komt voor dat bij een stand van 30% open de hoeveelheid verse lucht slechts 5% bedraagt. Om de juiste hoeveelheid lucht te bepalen is het nodig om een klepkarakteristiek te laten maken. Dit gebeurt eenmalig. Bepaal wel jaarlijks de maximale luchtopbrengst. Deze kan ver- anderen door slijtage en vervuiling. Doe dit vóór het seizoen begint. Brandveiligheid Bij het verkrijgen van een bouwvergunning of gebruiksvergunning is brandveiligheid een belangrijk onderwerp. Af hankelijk van de bedrijfsgrootte kan de brandweer op basis van het bouwbesluit adviseren om allerlei aanpassingen te doen, zoals rook- en warmteafvoer, branddeuren, sprinklerinstallatie en/of een automati- sche brandmeldingsinstallatie. In de prak- tijk verschillen de eisen die worden gesteld. De hiermee gepaard gaande investeringen zijn soms enorm. De gemeente neemt dit advies van de brandweer meestal over voor de vergunning, maar hiertegen is bezwaar te maken door een vuurlastberekening te overleggen. Snelheid rooimat

Bodem/Bemesting

Techniek

Beregenen: begin op tijd Voor een optimale groei moeten de wor- tels van bloembolgewassen over voldoen- de water beschikken. Tijdelijk vochtgebrek leidt tot een lagere opbrengst en een min- dere kwaliteit, bijvoorbeeld meer groei- scheuren. Bloembollen verdampen tijdens het groeiseizoen 3-5 mm water per etmaal. De bovenste 30 cm van een duin- of zee- zandgrond bevat ongeveer 15-20 mm water dat beschikbaar is voor de plant. Een zavel- of kleigrond bevat 25-30 mm water. Bij

Klepstand misleidend Tijdens bewaring van bollen is (vaak) ver- se lucht nodig. Enerzijds om schadelijke gassen zoals ethyleen af te voeren, ander- zijds om de luchtvochtigheid te regelen. De luchtvochtigheid en temperatuur wor- den veelal automatisch geregeld. Hierbij gaat de klep automatisch open en dicht. Wat betreft ethyleen stellen veel telers een minimale klepstand in. De hoeveel- heid buitenlucht wordt bij de moderne cel- len geregeld door een simpele wisselklep

49

24 april 2020

Made with FlippingBook Publishing Software